Kamperen op een smeerput

Neem een twee weeks festival in Nepal, meng dat met een zeldzame paraboolveer die afbreekt, doe daar nog twee eetlepels Nepalees werktempo bij en je kunt met zekerheid vijf dagen kamperen op het garageterrein in Patan, vlakbij Kathmandu. “Nee, we moeten geen paraboolveren nemen. Dat is wel comfortabeler, maar als die stuk gaan, dan is er niemand die ze kan maken”, hoort Leon zichzelf nog zeggen, voordat we op reis gingen. Door de miskopen, van de Engelse bladveren, nemen we toch maar parabool veren. Deze veren veren niet alleen beter, maar zorgen er ook voor dat je nieren niet richting de slokdarm verdwijnen als je door het terrein heen stuitert. Tevens leveren zij in het terreinrijden veel meer uitslag, waardoor je meer en langer grip hebt op de aarde. En dat zijn de voordelen.  

In Noord-India, breekt er een van onze paraboolveren af. Omdat de normale versie van onze Land Rover met drie bladen wordt uitgerust, tuffen we rustig verder zonder al teveel schade. De afgebroken veer begint onderweg aardig op de andere bladen te drukken en vervormd de originele veerpatronen. Het probleem moet opgelost worden, voordat er nog een blad afbreekt.

In Kathmandu gaan we met de brommer op verkenning en komen uit bij de Janeshakti garage. Op aanraden van een Dragoman truckchauffeur (een reisorganisatie die met grote vrachtauto’s toeristen rondrijdt), gaan we naar hun garage in Patan. Vanwege het festival is de garage nog een paar dagen dicht, maar als we over vier dagen terugkomen, worden we geholpen.

“Hallo, hier zijn we weer”, roepen we vrolijk als we naar vier dagen weer voor de garagedeur staan. “Very difficult”, is zijn antwoord als hij de paraboolveren ziet. “Not in Nepal!”. We proberen het op een andere manier. “Kun je de originele bladveren regelen en die er weer onder zetten”, opperen we als suggestie. Een diepe frons. “Ik ga even rondbellen”, is het antwoord van De Biel, de eigenaar van de werkplaats. Ondertussen rijden we Miles op de smeerput en wachten. We wachten, wachten en gaan maar een boek lezen. “Bijna alle bedrijven zijn nog gesloten, maar ik ga even rondkijken”, krijgen we tegen het eind van de dag te horen. Laten we dan in ieder geval de auto een grote beurt geven. De achterste tank lekt, die kunnen ze hier mooi laten lassen. We verversen de olie en vervangen het oliefilter. We vervangen ook de werkcilinder van de koppeling. Die lekt al een paar maanden en het begint nu ernstig te worden. We vervangen een keerring op de fuseekogel en ontdekken meteen dat er een remcilinder lekt. Met behulp van de kleine monteurs vervangen we het geheel en smeren de hele auto van achter naar voren door met vet en olie. Miles is er weer klaar voor. Alleen de bladveren nog.

 

Net voor het donker wordt komt De Biel terug en vraagt ons of we haast hebben. “Niet echt, maar wat bedoel je”, vragen we argwanend. “Het kan wel even duren. Ik ga morgen even kijken of er gereviseerde bladveren te krijgen zijn. Land Rover onderdelen zijn erg moeilijk te vinden in Nepal. Maar ik geloof dat we wel iets anders kunnen regelen. Jullie kunnen hier gewoon blijven slapen. Er is een toilet en een wasbak”, vertelt de eigenaar optimistisch. Niets aan te doen, laten we nog even blijven. Er zijn slechtere plaatsen om te kamperen. We vallen in Miles op de smeerput in slaap.

De volgende dag begint positief. We hebben goed geslapen en De Biel komt met twee bladveren aanzetten en nieuwe bushes om de veren in op te hangen. We tellen de bladen en het zijn er maar elf. Dat is wel een beetje weinig. We bellen met Ron in Nederland en die vertelt dat het toch beter is als er nog twee bladen bij kunnen. Het levert een zucht op bij De Biel. “Dat kan wel even duren”. De specialisten zijn op dit moment dicht, misschien dat ze morgen open zijn. Ondertussen begint Leon de ‘nieuwe’ bladveren uit elkaar te halen en ze te schuren. ‘Waarom doe je dat?’, vragen de monteurs nieuwsgierig. “Als er dan toch gereviseerde bladveren onder gaan, willen we wel dat ze optimaal zijn. We gaan ze schuren en in het vet zetten. Daarna zetten we ze weer in elkaar, als we de twee extra bladen hebben”, legt Leon uit. “Ohhhhh”, is het antwoord. Ze zijn wel handig, maar denken niet echt mee, als het gaat om maximale kwaliteit halen uit de voorhanden zijnde middelen.

‘s Avonds blijken er vier extra dikke bladen gevonden te zijn. Allemaal te lang en niet de buiging die noodzakelijk is om in het verenpakket te passen. “Dat brengen we morgen naar de smid”, is het voorstel. We slapen weer een nacht op de smeerput.

 

De volgende dag gebeurt er niet veel. De smid komt langs, kijkt, denkt, kijkt nog eens en verdwijnt. Na een paar uur komt hij terug met een fietsje en verdwijnt met de extra veren. Geen woord teveel. Ondertussen doen we de was en lezen een boek. We koken en bekijken Miles nog maar eens, of er nog een klusje te doen valt. Terwijl wij onze huishoudelijke taken verrichten, wordt de dieseltank gelast en de lekken gedicht. Dat is mooi, want het spoor dat Miles achterliet, begon al een aardig plasformaat aan te nemen. We koken een potje eten en sluiten onze ogen weer boven de smeerput.

Als we wakker worden is de smid al gearriveerd en met een gulle lach levert hij de kromme ijzeren bladen af bij de monteurs. Ze beginnen meteen de bladveren in te vetten en in elkaar te schroeven. Als de eerste bladveer klaar is, blijkt hij natuurlijk niet te passen. De U-bouten, waarmee de paraboolveren waren opgehangen, zijn nu te kort voor de veel dikkere bladveerpakketten. Die moeten dus ook vervangen worden. Tja, even wachten dan maar.

Het einde van de dag nadert als er eindelijk passende ophangprofielen zijn gevonden. “Beetje moeilijk, het festival is nog niet helemaal afgelopen en sommige winkels zijn nog niet open!”, is de uitleg. De bladveren gaan er voor de duisternis nog onder en met een tevreden gevoel slapen we weer boven onze geliefde smeerput.

 

 

Nieuwe veren, nieuwe verrassingen. Miles staat scheef op zijn voeten. De bestuurderskant leunt iets over en de achterkant staat veel hoger op zijn poten dan voor. Als je nu achter het stuur kruipt, kijk je tegen het asfalt aan. Het ziet er wel erg geil uit. We besluiten dat we er mee naar de Tibetaanse grens rijden. Op de terugweg, komen we hier toch weer langs, als het dan niet goed is, dan gaan we weer boven de smeerput staan.

We nemen afscheid van de werknemers, betalen de rekening. Naast het ijzer dat we moeten betalen, rekenen ze wel 1600 roepies af voor het uurloon van vijf dagen werk. Dat is bijna achttien euro! Daar opent een Nederlandse garage de deur niet eens voor. Miles knort, steekt zijn kont omhoog en verlaat het terrein.