Kogels in de Sahara

“Ik hoor niets. We gaan verder”, zegt onze gids zonder een spier te vertrekken. Zijn ervaring overtuigd mij en Claire en we stappen in de auto en rijden als eerste op het gevaar af. De anderen volgen op bescheiden afstand. Met drie voertuigen rijden wij langs verschillende oases en berggebieden dwars door de Sahara van Djanet naar In Salah. Meestal rijdt de Noorse motorvriend met zijn Yamaha voorop, omdat ons tempo voor zijn motor niet genoeg koeling oplevert. Op een stevige tweede plaats rijden onze Ierse vrienden Dennis en Con. Twee broers die de Sahara doorkruizen op weg naar huis. Stuiterend stuiven zij zonder schokbrekers door het ruige terrein met hun Land Rover Discovery uit 1998. En als laatste maar zeker niet de minste tokkelt onze Miles gemoedelijk over iedere duin en langs iedere berg.

Djaffar, een traditionele Tuareg van 48 jaar oud die geen kaart en geen GPS nodig
heeft om zijn weg door de woestijn te vinden. Als je net zoals hem met verschillenden
kamelenkaravanen deze routes hebt gereden, dan heb je meer tijd om de kenmerken van het
landschap te bestuderen, dan een GPS in beeld kan brengen. En als je uit een oude
smokkelaarfamilie komt, ken je natuurlijk de sluiproutes op je duimpje. Deze laatste
wetenswaardigheid wist hij tot op het allerlaatste verborgen te houden.

In de verte zien we de motor en de Ierse Land Rover achter een grote rots staan. Verschillende poppetjes wandelen driftig op en neer en als wij in de buurt komen stuift de Noor richting onze auto. In een snel tempo begint zijn lijkbleke gezicht woorden richting ons te spugen. We begrijpen hem niet zo goed en manen hem tot kalmte. “Kogels, mitrailleurs, gevaar, terug!”, roept hij door de raam. Enigszins ongerust stappen wij uit. Deze omgeving staat bekend om zijn smokkelaars, maar met onze eigen smokkelaar voelen wij ons niet ongemakkelijk.

Als Claire en ik buiten staan om te luisteren vertelt Haakon de Noor zijn verhaal. “Ik reed rustig voorop, net voorbij die berg en opeens vlogen de kogels om mijn oren. Ik hoorde zwaar mitrailleurvuur van verschillende kanten komen en ben zonder na te denken omgedraaid en vol gas teruggereden om jullie te waarschuwen. Daarna heb ik de Ieren aangehouden en hebben wij ons verstopt achter deze rots. Tot jullie aankwamen bleef het geweervuur doorgaan en hoorden we zelfs zwaarder geschut. Het moet een gevecht tussen bandieten en militairen zijn. Het kan niet anders”, vertelt hij in sneltreintempo terwijl hij de ene na de andere sigaret wegtrekt.

Ondertussen zit Djaffar nog steeds rustig in Miles zijn pruimtabak weg te kauwen. Af en toe verdwijnt zijn hoofd door het raam en spuugt hij een dikke bruine klodder richting het woestijnzand. Hij begrijpt niets van de drukte omdat hij geen Engels spreekt. Ik keer terug naar de auto om Djaffar in het Frans op de hoogte te brengen. Hij reageert kalm:”Ik hoor niets, dus gaan we verder.” Iedereen kijkt elkaar verbouwereerd aan. “Maar daar achter die berg krioelt het van de bandieten”, reageert onze Noorse motorrijder nog. Ondertussen hebben Claire en ik zoveel vertrouwen gekregen in Djaffar dat we in de auto stappen en de motor starten. Hij heeft het op deze reis nog nooit fout gehad en hij heeft ons nog niet in gevaar gebracht.

Ondanks de vele verhalen over terroristen en aanslagen in Algerije. De anderen twijfelen nog. Ze besluiten mee te gaan, maar dan wel achter Miles aan te rijden. Claire neemt de verrekijker in de hand en speurt de horizon af naar opvallende kenmerken. Voorzichtig rijd ik verder, terwijl onze Tuareg nog even een nieuwe lading tabak tussen zijn kiezen propt. Op enkele autowrakken na zien we niets en horen we geen enkel geweerschot meer. De strijd lijkt gestreden. Maar we blijven op scherp staan. Niet geheel op ons gemak tuffen we door de duinen voorwaarts. Het is nog maar honderdvijftig kilometer naar de eerste stad sinds dagen. Als we tussen een drooggevallen rivierbedding omhoog rijden, begint onze gids een beetje te schuifelen in zijn stoel. Hij verplaatst zich naar het randje van zijn stoel en zijn gezicht zit bijna tegen de voorruit aangeplakt. Als we het hoogste punt gepasseerd zijn, zien we verschillenden pantserwagens in de rondte scheuren en Toyota’s volgepakt met soldaten.

Wij schrikken, maar zij schrikken ook. Om de hoek ligt een groot kamp met daarachter de weg waar wij heen moeten. We worden staande gehouden en de gids wordt naar voren geroepen. Er komen in hoog tempo verschillende wagens aanscheuren met hoge officieren die onze gids de huid vol schelden. De ene kanonnade naar de andere vliegt via zijn hoofddoek naar binnen. Er is duidelijk iets niet goed. Djaffar hoort het verbale geweld aan als een standbeeld en af en toe zie je zijn schouders op en neer gaan. Geen enkele emotie. Als hij terug komt, verschijnt er een kleine grijns op zijn gezicht. Met een bijthoutje in zijn mond vertelt hij dat we verder kunnen. Niets aan de hand, we zijn in een schietoefening terecht gekomen en zij hadden ons al veel eerder gezien maar bleven doorschieten. “We hadden hier niet moeten rijden”, zegt Djaffar. “Maar we hebben wel toestemming voor dit gebied en het is hier wel erg mooi.

“Zonde om je door een paar militairen tegen te laten houden”, zegt hij met een grijns. Het lijkt alsof hij het leuk vindt om de autoriteiten een loer te draaien.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *